\documentstyle[12pt,dutch,a4wide]{article} %\title{} %\author{} %\date{\today} %\maketitle %\tableofcontents \begin{document} \subsubsection*{13-1-1993 Michiel} Vanmiddag heb ik mij beziggehouden met te lezen in mijn Filosofie-van-de-Natuurkunde-dictaat en wat schetst mijn verbazing! Ik ben niet de eerste of de enige. In mijn idee van 26-11-1992 (het tweede) heb ik het over het universum dat zich splitst als het ergens tussen moet kiezen. Het schijnt dat in 1957 ene Everett ook al zoiets heeft geroepen (zie dictaat Filosofie van de natuurkunde door Dr. D.G.B.J. Dieks op bladzijde 87). In het dictaat heet het de 'veel-wereldeninterpretatie' om tot realisme te komen in de quantummechanica. Wel wekt het dictaat de suggustie dat Everett zegt dat het Universum zich splitst in evenzovele kopie\"en als er mogelijke uitkomsten zijn in een {\em meting}. Dit had ik echter niet zo bedoeld. Ik ben er meer voor dat het Universum zich {\em altijd} splitst als hij moet kiezen. Dit is volgens mij logischer omdat je anders moet aannemen dat de mens door waar te nemen het heelal splitst. Dit lijkt mij onwaarschijnlijk omdat ik de mens, heel ouderwets misschien, toch meer zie als gewoon een deel van de natuur, de mens als machine. Ik wil trouwens hier ook nog eens benadrukken dat dit niet echt een goede theorie is omdat zij absoluut niet verworpen kan worden. Dit komt omdat het aan de theorie eigen is dat je hem niet kunt verwerpen, zo'n wereld-splitsing (ik gebruik min of meer met opzet woorden zoals: wereld, universum, heelal door elkaar) is namelijk fundamenteel on-waarneembaar. ---Terzijde;Ik heb filosofie nog niet echt geleerd en daarom is wat ik zeg op filosofisch gebied wellicht niet helemaal in overeenstemming met wat anderen in het verleden al hebben bedacht. Dit hoeft natuurlijk ook niet. Maar het is toch wel nuttig om het erbij te hebben, want er is toen toch waarschijnlijk wel over nagedacht.-- Toch is de 'veelwereldeninterpretatie' volgens mij niet helemaal nutteloos. Het geeft namelijk een fantastische verklaring (realistisch) voor onzekerheid en zo in de quantummechanica. Ik beweerde dus dat ik deze theorie ook zelf al bedacht had. Ik besef echter dat men mij hier nooit in hoeft te geloven. Ten tijde dat ik het opschreef was ik namelijk al in bezit van het filosofie dictaat waar het instond. Ik had het dus makkelijk bij doorbladeren kunnen tegenkomen. Toch weet ik voor m'n gevoel zeker dat ik dit idee al veel langer had en dat dus niet zo is. Beseffend echter de onbetrouwbaarheid van het brein en het geheugen ga ik hier toch weer aan twijfelen. Daarbij wordt ik mij weer bewust van de waardeloosheid van mijn brein omdat het zichzelf niet eens vertrouwt (en met dit besef maakt hij (mijn brein dus) het weer een beetje goed). Dat het brein het het geheugen onbetrouwbaar zijn blijkt ook weer overduidelijk uit de observatie dat ik geen idee kan onthouden. In de afgelopen vakantie heb ik geen idee opgeschreven maar ik weet bijna zeker dat ik ze wel gehad moet hebben (Ik heb namelijk wel vage herinneringen aan het bestaan van idee\"en, ik herinner mij nog wel dat ik tenminste verscheidene keren heb voorgenomen om het idee dat ik toen had even te onthouden. Ik ben het allemaal vergeten. Alleen het voornemen, waar het niet omgaat (de ironie!), weet ik nog heel vaagjes) Ik heb dacht ik gemerkt dat wat ik hier beschrijf wel vrij algemeen is bij mensen. Toch leek het mij wel nuttig om het op te schrijven omdat ik dan misschien wat dichter bij de oorzaak (van bijvoorbeeld de verkeerde dingen onthouden en de belangrijke juist vergeten) kom, van het verschijnsel, en zo wellicht ook wat dichter bij een oplossing. Overigens: Dit idee lijkt een structuurloos zooitje en dat is het waarschijnlijk ook. Toch had ik dacht ik voor ik begon wel ongeveer dit in mijn hoofd (wat onderwerp betreft dan). \end{document}